28-08-07

Monumentenzorg en Woonbeleid in Brussel


Brief aan Schepen Mady Novalet-Van Vooren (VLD)

image031


Het huis in de Faiderstraat n° 10 te Sint-Gillis alwaar de zetel van de vzw Werkgroep Morkhoven is gevestigd is en dat in 1882 in opdracht van Graaf Eugène Goblet d'Alviella volgens de plannen van de bekende Belgische architect Van Rysselberghe werd gebouwd, staat al jarenlang te verkrotten.
Op enkele jaren tijd drupten er zo eventjes 7.000 liters water door het dak van het gebouw waarvan de gevel geklasseerd werd.
Op Françoise Dupuis, Brusselse Staatssecretaris voor Woonbeleid (Parti Socialiste), hoeft de vzw Werkgroep Morkhoven niet te rekenen maar ook andere politici en diensten blijven in gebreke. Zoals gewoonlijk schuift men de verantwoordelijkheid naar elkaar toe en laat men het huis verkrotten zonder op te treden.
De betrokken politieke partijen (PS, VLD) zijn in dit geval ook toevallig de politieke partijen die de kinderpornozaak Zandvoort dichtdekten...

--------

Mady Novalet-Van Vooren
Schepen van Vlaamse Aangelegenheden, Erfgoed en Duurzame Ontwikkeling
Gemeentehuis
1060 Sint-Gillis

Geachte Mevrouw,

Betreft: Verkrotting van het gebouw in de Faiderstraat n° 10, 1060 Sint-Gillis

VLD-volksvertegenwoordiger Sven Gatz zond ons op 30 juli 2007 een copie van uw antwoord in verband met de hogervermelde zaak.
Daarin zei u dat uw kabinetsmedewerkster Mevrouw Bosmans u over mijn bezoek had gesproken en dat zij 'het nodige had gedaan bij de dienst Hygiëne'.

Verder meldde u dat u de dienst Hygiëne had gecontacteerd en dat deze u 'bevestigde dat zij schriftelijk had geantwoord aan Mevrouw de Croÿ'.

U sloot uw schrijven tenslotte af met de volgende woorden: 'U kan zien dat deze zaak ons niet onberoerd laat. Het gaat hier echter om een gebouw dat niet onder mijn bevoegdheid valt, maar ik volg de zaak wel degelijk op'.

Bij nazicht blijkt dat ik u en uw dienst 'Vlaamse Aangelegenheden' een 4-tal malen heb geschreven. De eerste brief die ik persoonlijk aan u richtte, dateert zelfs van 2 maart 2007 en het is dan ook zeer vreemd dat Mevrouw Bosmans zich tijdens mijn bezoek in juni van dit jaar, enkel maar 'iets vaag herinnerde'.

Verder had ik graag van u vernomen wat Mevrouw Bosmans in feite bedoelt met de woorden dat zij 'het nodige bij de Dienst Hygiëne heeft gedaan'.
Sinds de dienst Hygiëne met de dienst Urbanisatie van Sint Gillis + de dienst ter Bescherming van Monumenten en Landschappen in januari 2007 het huis bezocht en de rampzalige toestand vaststelde, heeft zij immers niets gedaan en zijn er nog eens 1.145 liters water door het dak gelekt. Tijdens de hevige regenval van vorige week mocht ik bijvoorbeeld nog eens 300 liters water met emmers door het raam kappen.
Ik wens dus duidelijkheid op dit vlak en ik verwacht dat de dienst Hygiëne iets daadwerkelijk onderneemt. Ik heb niets aan mooie woorden.
Kan u mij, om te beginnen, misschien het dossiernummer opgeven dat de dienst Hygiëne aan het dossier inzake het huis in de Faiderstraat n° 10 te Sint-Gillis heeft toegekend ?

Mag ik tevens doen opmerken dat Prinses de Croÿ in tegenstelling tot wat u beweert, geen schriftelijk antwoord van de dienst Hygiëne heeft ontvangen ?

U schrijft mij dat het gebouw in de Faiderstraat n° 10 te Sint-Gillis niet 'onder uw bevoegdheid valt' terwijl u toch Schepen van Erfgoed bent en dit gebouw deel uitmaakt van het socio-culturele erfgoed van de gemeente Sint-Gillis. Maar kom, laat ons niet teveel met bevoegdheden spelen.
Kan u mij mededelen waarom u niet bevoegd bent en wie er dan wél bevoegd is voor dit gebouw ? Kan u mij ook zeggen aan welke bevoegde dienst of persoon u dit dossier hebt doorgegeven ?
Nam u reeds contact op met Mevrouw Martine Wille, burgemeester van Sint-Gliis, die ons schriftelijk mededeelde dat zij op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, de gemeente opdracht zou geven om de noodzakelijke maatregelen te nemen om de waterinfiltratie en de verdere verkrotting van het huis te voorkomen ?

Tenslotte had ik graag van u vernomen op welke manier en onder welk dossiernummer u deze zaak zelf opvolgt en wat de stand van zaken is in dit dossier.

In afwachting van uw antwoord, teken ik,

Hoogachtend,

Jan Boeykens
Voorzitter vzw Werkgroep Morkhoven

VZW Werkgroep Morkhoven
Faiderstraat 10
1060 Sint-Gillis
werkgroep_morkhoven@hotmail.com - issakaba@skynet.be


Open Deur Dagen - Portes Ouvertes

De vzw Werkgroep Morkhoven en de Stichting Prinses de Croÿ organiseren open-deur-dagen in de Faiderstraat n°10 te Sint-Gillis / L'asbl Werkgroep Morkhoven et le Fondation Princesse de Croÿ organisent des portes ouvertes dans la Rue de Faider n°10 à Saint-Gilles

Voor informatie en afspraken / Pour information et rendez-vous: 02 537 49 97 - Faiderstraat 10, 1060 Sint-Gillis - issakaba@skynet.be
http://groups.msn.com/woonbeleid-PolitiqueduLogement/

16:22 Gepost door slaapkamer-expert in Algemeen | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

Commentaren

Juridisch Vereniging van de Stad en de Gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vzw

Logement

Weerslag van de Huisvestingscode op de politiebesluiten
(bijna) alles blijft bij het oude!

Françoise Lambotte - augustus 2006 - Nieuwsbrief nr 4

Sinds de inwerkingtreding van de Brusselse Huisvestingscode in 2004 heerst er verwarring tussen politiebesluiten aangenomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet en besluiten die de burgemeester dient aan te nemen krachtens de Code. De Code heeft de politiebevoegdheden van gemeenten evenwel (bijna) niet veranderd. De nieuwigheden betreffen enkel de gevolgen van bepaalde politiebesluiten voor het verder verhuren van het goed en het openbaar beheersrecht.

Alles blijft bij het oude …

De ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode (hierna de Huisvestingscode genoemd - BS 9/09/03) stelt uitdrukkelijk dat deze van toepassing is “ onverminderd artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet” (Artikelen 4, § 1, in fine, 13, § 1 en 19, lid 2). De Huisvestingscode verandert dus geenszins de bevoegdheden die gemeenten halen uit deze bepaling, die het volgende stelt:

“(De) gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.

Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd:

1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; (…)

2° het tegengaan van nachtgerucht dat de rust van de inwoners verstoort; (…)

5° het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden;

De gemeentelijke overheden moeten dus door middel van politiereglementen (zie "De gemeentereglementen tegen insalubriteit") of – besluiten iedere inbreuk op de gezondheid of de veiligheid veroorzaakt door ongezonde woningen blijven voorkomen of stoppen . De burgemeester kan bijvoorbeeld met een politiebesluit de eigenaar een bevel geven om renovatiewerken uit te voeren binnen een bepaalde termijn of huurders verplichten de woning te verlaten om volksgezondheidsredenen.

Het aantal besluiten van de burgemeester aangenomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet zou dus onveranderd moeten blijven na het in werking treden van de Huisvestingscode. De Code biedt het Gewest gewoon de mogelijkheid om tussen te komen in plaats van of samen met de gemeente, indien blijkt dat de tussenkomst van deze laatste onvoldoende is om de eigenaar van een krot te overtuigen om tot de nodige verbouwingen over te gaan . De Gewestelijke Inspectiedienst (GID) kan immers, na een versneld onderzoek door haar diensten, besluiten om een woning te sluiten omdat deze de minimale normen inzake gezondheid, veiligheid en uitrusting van de Huisvestingscode [1] niet in acht neemt. De dienst kan eveneens weerspannige eigenaars veroordelen tot boetes met ontradende bedragen (tussen 3.000 en 25.000 euro per woning!).

In bepaalde gevallen kan de GID een beslissing nemen en kan de burgemeester tussenkomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet . De eigenaar dient zich in dit geval te schikken naar beide beslissingen.

Soms zal een burgemeester beslissen om een woning te sluiten vooraleer de GID heeft bepaald of deze al dan niet voldoet aan de criteria van de Code . Het maakt weinig uit: indien de burgemeester een politiebesluit aanneemt op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, dient hij niet te verwijzen naar de normen van de Huisvestingscode. Indien hij dit toch zou doen, begaat hij een fout die de annulering kan inhouden van het politiebesluit door de Raad van State [2].

De burgemeester moet dus niet wachten tot de GID het probleem aanpakt. Hij evalueert de situatie in functie van de openbare veiligheid en gezondheid. Indien deze bedreigd zijn, neemt hij onverwijld alle maatregelen die hem het meest aangewezen lijken om de dreiging op te heffen [3].

We benadrukken verder dat de GID niet bevoegd is om een ongezondverklaring van een burgemeester op te heffen en een burgemeester kan evenmin een besluit van de GID annuleren (V.&A., Parlement Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 15/06/05, nr. 8, blz. 124). Iedere overheid handelt zelfstandig en soeverein binnen zijn bevoegdheid .

Conform de Huisvestingscode brengt de GID de burgemeester op de hoogte bij iedere beslissing om de inhuurstelling te verbieden. De burgemeester is daarentegen op geen enkele wettelijke manier verplicht om de GID op de hoogte te brengen indien hij een politiebesluit neemt aangaande een woning, maar het zou wel een goede praktijk zijn (veel gemeenten doen dit reeds) (V.&A., Parlement Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 15/06/05, nr. 8, blz. 124).

… of toch bijna!

Hoewel de Huisvestingscode de gemeentelijke politiebevoegdheden niet wijzigt, verandert deze toch de gevolgen van bepaalde politiebesluiten voor het verder verhuren van het goed en het openbaar beheersrecht:

1) Het verbod om de woning te verhuren of te laten bewonen

In het verleden kon de burgemeester op ieder ogenblik een politiebesluit aangenomen wegens de ongezondheid van een woning opheffen, in functie van de evolutie van de situatie. De eigenaar diende hiertoe te bewijzen dat de nodige werken waren uitgevoerd en dat de dreiging die het besluit rechtvaardigde was verdwenen. Vervolgens kon de burgemeester het verbod om de woning te bewonen intrekken en konden eventuele huurders de woning opnieuw in bezit nemen, zonder een andere formaliteit te moeten vervullen.

Krachtens artikel 14, lid 2 van de Huisvestingscode kan een woning “die het voorwerp uitmaakt van een verbod tot onbewoonbaarverklaring genomen met toepassing van artikel 135 van de nieuwe gemeentewet” pas opnieuw te huur gesteld of verhuurd worden nadat de verhuurder een conformiteitscontroleattest heeft verkregen.

De verhuurder dient de volgende procedure te volgen (Artikel 14, lid 3 van de Huisvestingscode) :

de aanvraag wordt aangetekend verstuurd naar of persoonlijk afgegeven bij de GID, met ontvangstbevestiging;
de GID voert een onderzoek om na te gaan of de woning voldoet aan de eisen van de Huisvestingscode [4] ;
de GID levert het conformiteitsbewijs af of weigert dit binnen de 2 maanden na de ontvangst van de aanvraag; de beslissing kan opgeschort worden in afwachting van de uitvoering van regularisatiewerken;
bij een weigering beschikt de verhuurder over een beroepsmogelijkheid voor de Regering of zijn afgevaardigde ambtenaar; dit beroep dient aangetekend te worden ingediend binnen de 30 dagen na de ontvangst van de weigering aangezegd door de GID;
de beroepsoverheid kan een onderzoek opleggen, uitgevoerd door een andere inspecteur van de GID dan deze die het onderzoek aanvankelijk heeft uitgevoerd;
de beroepsoverheid spreekt zich uit binnen de 30 dagen na de ontvangst van het beroep (deze termijn wordt vermeerderd met 30 dagen bij een onderzoek); indien er binnen deze termijn geen beslissing valt, is de weigering als aanvaard geacht (Artikel 14, lid 2, van de Huisvestingscode).
De Huisvestingscode verduidelijkt dat het woningen betreft die ongezond zijn verklaard op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet “op grond van het feit dat de woning niet beantwoordt aan de vereiste bedoeld in artikel 4” (Artikel 14, lid 2, van de Huisvestingscode). Deze formulering leidt tot verwarring: we hebben gezien dat een politiebesluit genomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet in geen geval gemotiveerd kan worden met een eenvoudige verwijzing naar de Huisvestingscode.

Een andere vraag stelt zich eveneens: gaat het om alle politiebesluiten die een woning ongezond verklaren of enkel deze die een woning onbewoonbaar verklaren? De Code lijkt van toepassing op alle ongezondverklaringen, zonder onderscheid, maar het zou verbazend zijn dat de wetgever de wil had om de verhuur te verbieden van woningen waarvan de ongezondheid in de zin van de Nieuwe Gemeentewet niet zwaar genoeg is om een sluiting te rechtvaardigen.

De wetgever zou de formulering van artikel 14, lid 2 van de Code moeten herzien om deze interpretatiemoeilijkheden te vermijden. De Adviesraad voor Huisvesting [5] deed dit voorstel reeds aan de Regering, in het advies op eigen initiatief uitgebracht op 16 juni 2006 over de ordonnantie van 17 juli 2003 houdende de Brusselse Huisvestingscode.

2) Het openbaar beheersrecht

Net zoals woningen die niet verhuurd mogen worden na een besluit van de GID, maken de woningen die onbewoonbaar verklaard worden krachtens artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet voortaan deel uit van de woningen waarop het openbaar beheersrecht van toepassing kan zijn (Artikel 18, § 1 van de Huisvestingscode. Zie ook “Het openbaar beheersrecht: voor wie, waarom en hoe?”). Deze nieuwigheid ingevoerd door de huisvestingscode betreft niet alle politiebesluiten genomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, maar enkel deze die een woning “onbewoonbaar” verklaren. Hieruit volgt dat een besluit van de burgemeester dat een woning ongezond, maar verbeterbaar verklaart, zonder dat de bewoners verplicht worden het pand te verlaten, niet toestaat om het openbaar beheersrecht aan te wenden.

Wat met de besluiten die de burgemeester dient aan te nemen in uitvoering van de Huisvestingscode?

Krachtens artikel 14, lid 1 van de Huisvestingscode dient de burgemeester toe te zien op de goede uitvoering van het verbod om de woning te verhuren of te bewonen, genomen door de GID, indien een woning niet voldoet aan de normen van de Code en niet wordt hersteld door de eigenaar. De Code verduidelijkt niet hoe de burgemeester dit dient te doen, maar de voorbereidende werkzaamheden tonen aan dat de burgemeester een besluit aanneemt “in navolging van een onbewoonbaarverklaring aangenomen op basis van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet” [6].

Het besluit dat de burgemeester neemt op basis van de Huisvestingscode heeft echter niets te maken met een politiebesluit . Indien de burgemeester de beslissing van de GID uitvoert, past hij artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet niet toe, maar wel artikel 133 van dezelfde wet, dat stelt dat de burgmeester gewestordonnanties dient uit te voeren. Hij handelt als gedecentraliseerde agent van de bovenliggende overheid en niet als hoofd van de gemeente, een gedecentraliseerde overheid bevoegd inzake politieaangelegenheden [7]. De burgemeester voert de beslissing van de GID uit zonder deze te kunnen betwisten; de appreciatiebevoegdheid geldt enkel voor de praktische uitzettingsmodaliteiten (termijnen, aanbrengen van zegels, bekendmaking van de beslissing van de GID, …).

De burgemeester krijgt geen enkele termijn opgelegd om de beslissing van de GID uit te voeren, maar zal zich moeten verantwoorden ten opzichte van de hiërarchische overheid. Bij het in gebreke blijven en na twee opeenvolgende waarschuwingen, kan de Regering een vervangend toezicht instellen voor de gemeentelijke overheid die in gebreke is gebleven.

De bewoners van de woning mogen er blijven wonen zolang de burgemeester hen geen formeel bevel geeft om te vertrekken.

Bepaalde gemeentelijke politici hebben de tactloosheid van het procédé benadrukt: een overheid die niet heeft deelgenomen aan de beslissing (de burgemeester) dient het vuile werk op te knappen. Een burgemeester die een gezin uitzet na een beslissing van het Gewest zal dan ook zwaar onder vuur genomen worden door de roddelpers [8].

Wat er ook van is, de formele motivatie van het besluit genomen op basis van de Code moet duidelijk verwijzen naar artikel 133 van de Nieuwe Gemeentewet, artikel 14, lid 1 van de Huisvestingscode en de desbetreffende beslissing van de GID. In geen geval wordt artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet vermeld.

We herhalen dat de naam die wordt gegeven aan het besluit (bijvoorbeeld: “uitzettingsbesluit”) niet belangrijk is Het is trouwens niet nodig om deze een naam te geven. Net zoals bij een politiebesluit is enkel de inhoud en formele motivatie belangrijk.



1 Voor meer details over de procedure die de GID in acht dient te nemen, zie Fr. LAMBOTTE, « L'ordonnance du 17 juillet 2003 portant le Code bruxellois du Logement: de l'obligation de louer un logement décent au droit de gestion publique », Amén., 2004/2, blz. 86 e.v.

2 De Hoogste administratieve rechtscollege blijkt onverzettelijk in deze materie. Onlangs heeft het een onbewoonbaarheidsbesluit van een Waalse burgemeester geannuleerd. Deze laatste beriep zich op de Nieuwe Gemeentewet, maar het besluit was eveneens feitelijk gebaseerd op criteria van de Waalse Huisvestingscode, los van de openbare gezondheid in de strikte zin van het woord (in dit geval: de bewoonbare oppervlakte) (RvS nr. 103.845 van 21 februari 2002, Dejardin; in gelijkaardige zin, zie eveneens RvS nr. 157.426 van 7 april 2006, Van Rossem en Colard).

3 De burgemeester kan de beslissing aanpassen in functie van de ernst van de vastgestelde feiten. Hij kan in geval van noodzaak bijkomende uitvoeringstermijnen toekennen en overgaan tot verplichte werkzaamheden. Volgens de Raad van State handelt de burgemeester niet wettelijk door de strengste maatregel aan te nemen, vooral indien deze buiten alle proportie ligt ten opzichte van de feiten of de te bereiken doelstellingen. Artikel 135 van de Nieuwe Gemeente miskent in het bijzonder de politiebevoegdheid om een ongezonde woning definitief onbewoonbaar te verklaren omdat deze niet verbeterbaar zou zijn. Als het niet verbeterbare karakter van het goed niet bepaald is, volstaat een voorlopige onbewoonbaarheid, onder voorbehoud van nog uit te voeren werken. De kost van deze werken mag niet excessief zijn in verhouding tot de waarde van het gebouw (RvS nr. 127.292 van 21 januari 2004, Quievy).

4 In de praktijk zullen er zich zeker bepaalde praktische moeilijkheden voordoen indien het onderzoek wordt gevoerd vooraleer de woning wordt verhuurd: bepaalde normen van de Code (in het bijzonder de regels voor minimale oppervlakte per inwoner) zullen pas na het afsluiten van het huurcontract nagegaan kunnen worden.

5 De Adviesraad voor de Huisvesting is een adviesorgaan van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, wiens missie bestaat uit het verlenen van adviezen en voorstellen aan de regering (op verzoek van deze laatste of op eigen initiatief) over het huisvestingsbeleid en ieder voorontwerp van ordonnantie en regelgevend besluit met als hoofdvoorwerp huisvesting. De raad bestaat uit 24 leden die alle Brusselse huisvestingsactoren vertegenwoordigen. Onze Vereniging vertegenwoordigt de gemeenten en OCMW’s. Voor meer details, zie artikelen 97 en volgende van de Huisvestingscode.

6 Ontwerp van ordonnantie betreffende de Huisvestingscode van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brusselse Hoofdstedelijke Raad, G.Z. 2002-2003, nr. A-416/1 van 28 februari 2003, blz. 19.

7 Ontwerp van ordonnantie betreffende de Huisvestingscode van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brusselse Hoofdstedelijke Raad, G.Z. 2002-2003, nr. A-416/2 van 1 juli 2003, blz. 119.

8 Zie de uiteenzetting van burgemeester V. DE WOLF tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de ordonnantie van 17 juli 2003, ontwerp van ordonnantie betreffende de Huisvestingscode van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Brussels Hoofdstedelijke Raad, G.Z. 2002-2003, nr. A-416/2 van 1 juli 2003, blz. 123.


http://www.avcb-vsgb.be/nl/mati/log/huisvestingscode-politiebesluiten.htm

Gepost door: Jan Boeykens | 30-08-07

Juridisch - Verplichtingen Syndicus CONCRETE VERPLICHTINGEN TE REALISEREN DOOR DE SYNDICUS


DEEL I - ADMINISTRATIEF BEHEER

1. Elke syndicus zal zijn mandaat vervullen conform een geschreven, door beide partijen goedgekeurde en ondertekende overeenkomst, waaraan een gedetailleerd lastenboek is gehecht of opgenomen dat er integraal deel van uitmaakt. Het opnemen van zijn aanstelling in de notulen van de algemene vergadering kan hier niet gelden als geschreven overeenkomst.


2. Hoger genoemd lastenboek zal ondermeer in detail de werkmethode omschrijven die door betreffende syndicus, of door zijn kantoor, wordt gehanteerd.

Dit lastenboek zal bovendien onderscheid moeten maken tussen zijn gewone opdrachten (begrepen in het gangbare ereloon) en de bijzondere opdrachten (die het voorwerp zullen uitmaken van een afzonderlijke honorering). Deze elementen zijn noodzakelijk en onmisbaar voor het vergelijken van verschillende prijsoffertes ingediend door verschillende syndici.

3. De syndicus zal voor elk gebouw dat hij beheert afzonderlijk, een document ontwikkelen dat uit twee delen bestaat:

A)algemene inlichtingen ten behoeve van de mede-eigenaars & -bewoners, zoals daar zijn: de samenstelling van de raad van bestuur, het rekeningnummer van de gemeenschap, alle contractuele verbintenissen met derden (verzekeringsmakelaar, telefoonnummers van de firmaís die het onderhoud van de liften, de verwarming doen, enz...).

B)Het reglement van inwendige orde en de gemaakte afspraken om het leven in mede-eigendom gemakkelijker te laten verlopen, zoals daar zijn: maatregelen tegen lawaaihinder, veiligheidsvoorschriften, afspraken inzake stookseizoen, dienst huisvuil, enz.


Dit document zal gedeponeerd worden op de maatschappelijke zetel van de vereniging van mede-eigenaars, om vervolgens in het bezit gesteld te worden van alle mede-eigenaars.

Eventuele amendementen op dit document zullen het voorwerp uitmaken van een beraadslaging ter gelegenheid van de eerstvolgende algemene vergadering.

4. De syndicus zal instaan voor het samenstellen van het in de deontologie voorziene basisdossier. Wanneer het een nieuwbouw betreft, is het samenstellen ervan begrepen in zijn ereloon. Betreft het evenwel een opvolging waarbij geen basisdossier werd overgedragen, dan zal de syndicus naar best vermogen dit dossier alsnog samenstellen maar dan ten laste van de vereniging (toepassing van artikel 11 van de richtlijn).


5. De wetgever voorziet dat de syndicus moet instaan voor de opmaak van de notulen van de beslissingen van de algemene vergadering. De syndicus verbindt er zich toe dit steeds binnen de 15 werkdagen na datum van de betreffende algemene vergadering te doen en te versturen.


6. De wetgever voorziet dat de mede-eigenaars die minstens 20% van de aandelen in de gemeenschappelijke gedeelten bezitten, de syndicus kunnen verzoeken een buitengewone algemene vergadering bijeen te roepen.

De syndicus verbindt er zich toe:
… de verzending van de oproeping samen met de gevraagde dagorde, te doen binnen de maand na ontvangst van desbetreffend verzoek ;
… een bijzondere algemene vergadering te organiseren op vraag van de mede-eigenaars overeenkomstig de statuten.


7.De syndicus verbindt er zich toe, zonder uitzondering, steeds beschikbaar te zijn binnen de normale kantooruren (7 uur 30' per dag), zoals aangeduid op het paneel dat uithangt aan het gebouw.


8.De syndicus verbindt er zich toe om steeds en binnen de 14 dagen te antwoorden op om het even welke brief, bericht of nota die hem bereikt.


9.Het kwaliteitscertificaat veronderstelt een onafhankelijke uitoefening van het ambt van syndicus, en dus een ereloon dat de rentabiliteit en de waardigheid van het syndickantoor verzekert. Elke andere verloning, uitbetaalde commissie e.d., zonder medeweten van de mede-eigenaars, en niet opgenomen in de schriftelijke overeenkomst die ten grondslag ligt aan zijn mandaat, is strikt verboden en houdt de onmiddellijke verbreking ervan in.


10. De syndicusovereenkomst zal moeten vermelden op welke wijze de administratiekosten aan de Vereniging van mede-eigenaars zullen worden aangerekend, hetzij forfaitair, hetzij conform een voor te leggen detailopgave, of anderszins.


11. Het is de syndicus aanbevolen om een specifiek punt ëbeheersoptiesí te plaatsen op de dagorde van de algemene vergadering. Zo kan bij wijze van "enquête" nagegaan worden of een voldoende meerderheid zou kunnen gevonden worden (op basis van een ruwe kostenraming) voor het uitvoeren van niet noodzakelijke, noch dringende werken. Zo kan vermeden worden nutteloze prijsoffertes op te vragen.

De formele stemming daarover zal uiteraard nadien moeten geagendeerd worden op een volgende algemene vergadering, waarbij steeds minimum 3 offertes moeten worden gevraagd en minstens 2 worden voorgelegd.

12. Het adressenbestand van de Vereniging van mede-eigenaars & -bewoners behoort tot de discretieplicht van de syndicus en kan onder geen enkel beding worden overgemaakt aan derden, andere dan de mede-eigenaars. Deze adressen mogen immers enkel worden gebruikt tot verwezenlijking van het maatschappelijk doel, zijnde "het behoud en beheer van het gebouw" en moet voor het overige worden beschouwd als behorend tot de privacy van de mede-eigenaars & -bewoners.

13. De syndicus, moet voorzien in een budget voor de lopende periodieke uitgaven, met aanpassing van het werkkapitaal.

Vooraleer leveringen en/of werken te bestellen ten gevolge van onvoorziene omstandigheden die niet opgenomen zijn in het gewone budget of ten gevolge van beslissingen van de algemene vergadering, zal de syndicus, de nodige fondsen opvragen.

De syndicus, zal enkel werken toekennen of levering van diensten vragen aan geregistreerde bedrijven of aan personen die aan de wettelijke normen voldoen.

Wanneer de syndicus vaststelt dat de risico's niet of ontoereikend verzekerd zijn, is hij gemachtigd de verzekeringspolissen ten voorlopige titel te doen aanpassen. Hij zal dit punt op de agenda van de volgende algemene vergadering plaatsen, zoals voorzien in art. 14.

14. Bij aanstelling van de syndicus, zal een algemene vergadering worden bijeen geroepen binnen een termijn van 2 maanden. Deze algemene vergadering zal ondermeer volgende punten op de dagorde vermelden : aanpassing verzekeringspolissen, opstellen begroting, bepalingÝ van de verdeelsleutels voor de lasten, de wijze van afrekeningen, de wijze van opvraging van provisies.



DEEL II - FINANCIEEL BEHEER
1. De syndicus zal zijn diensten dermate organiseren enÝ geschikt personeel aanwerven opdat de kwartaal-, semester- of jaarafrekeningen van de gemeenschappelijke uitbatings-, verbruiks- & investeringskosten van de door hem/haar beheerde gebouwen, aan de mede-eigenaars worden verstuurd binnen de dertig kalenderdagen voor een trimestriële of semestriële afrekening en zestig kalenderdagen voor een jaarafrekening, na de vervaldag van de bedoelde afrekening. Bij iedere afrekening wordt een vermogenstaat van de vereniging van mede-eigenaars gevoegd.

2. Hoger bedoelde afrekeningen zullen minstens 1 maal per jaar, en dit voorafgaand aan de jaarlijkse statutaire algemene vergadering van de mede-eigenaars, worden nagekeken door de daartoe aangewezen beheerraadsleden of rekencommissaris(sen).

Deze controleurs zullen in het bezit gesteld worden van alle mogelijke bewijskrachtige stukken, die het moeten mogelijk maken hun controleopdracht te vervullen, ten laatste veertien kalenderdagen voor de jaarlijkse statutaire algemene vergadering van de mede-eigenaars. De afrekeningen dienen uiterlijk samen met de uitnodiging voor de algemene vergadering verstuurd te worden.

De jaarlijkse algemene statutaire vergadering zal als verplichte agendapunten hebben:
… analyse van de kostenafrekeningen van het voorbije boekjaar
… verslag vanwege de Beheerraad of de rekencommissaris(sen) omtrent het nazicht van de rekeningen
… goedkeuring van de rekeningen.
… décharge aan syndicus, beheerraad en rekencommissaris.

3. Alle eventuele op- of aanmerkingen zullen in de notulen van de vergadering genoteerd worden, teneinde eventuele verbeteringen toe te laten en opdat décharge, onder opschortende voorwaarde van de correcties ingevolge de opmerkingen, zou kunnen gegeven worden aan de syndicus.

De betrokken kostenafrekeningen moeten niet noodzakelijk worden hermaakt en verzonden, (hetgeen alleen maar de boekhoudkundige verrichtingen zou kunnen vertroebelen), maar de gemaakte opmerkingen zullen in de eerstvolgende afrekening, met verwijzing naar de notulen, worden verwerkt.

4. Gezien de financiële solidariteit van de mede-eigenaars ingeval van insolvabiliteit van ÈÈn onder hen, zal de syndicus een strikt en controleerbaar incassobeleid voeren.

Tenzij de statuten en/of de beslissingen van de algemene vergaderingen er anders over beschikken, zal hij er op toezien dat de mede-eigenaars die de opvragingen niet binnen de gestelde termijn voldaan hebben, na rappel, het voorwerp uitmaken van een ingebrekestelling.

Ingeval geen gevolg gegeven wordt aan de rappel en de ingebrekestelling, zal de syndicus het dossier overmaken aan de raadsman van de mede-eigendom, met het oog op de dagvaarding, overeenkomstig de statuten of een beslissing van de algemene vergadering.

5. Alle rappelkosten, eventuele debetintresten en kosten voor het in gebreke stellen, zullen door de syndicus worden aangerekend overeenkomstig de statutaire bepalingen of conform de beslissingen van de algemene vergadering. Kosten voor rechtskundige bijstand (erelonen advocaat) vallen ten laste van de vereniging van mede-eigenaars.


6. Gezien het verschil in aard en bestemming van het werkkapitaal en het reservekapitaal, zal de syndicus deze kapitalen, weliswaar via zijn uitsluitende handtekening, verplichtend beheren via verschillende (bank)rekeningen. De syndicus zal de kostenevolutie opvolgen en gepaste suggesties aanbrengen, met behoud van de specificiteit van deze twee kapitalen.



DEEL III - TECHNISCH BEHEER

1. De syndicus verbindt er zich toe om jaarlijks op de statutaire algemene vergadering een technisch rapport voor te leggen over de toestand van het gebouw en zijn technische uitrusting(en), en een ëramingí mee te delen van de kostprijs die noodzakelijk is om de betrokken bouwdelen terug in hun oorspronkelijke staat te herstellen.

2. Bij de noodzakelijke vervanging van een belangrijke technische installatie, stelt de syndicus steeds voor een voorafgaande en grondige studie te laten opmaken door een deskundige terzake en stelt de te nemen maatregelen voor. Op basis daarvan zullen door de syndicus vergelijkbare offertes worden gevraagd, zodat de mede-eigenaars vervolgens met kennis van zaken een gefundeerde beslissing kunnen nemen.


3. De syndicus zal, per door hem beheerd gebouw, instaan voor het aanleggen en beheren van een "postinterventiedossier". Voor zover als mogelijk zal dit steeds door een zelfde tussenkomende deskundige worden opgemaakt en bijgehouden.


4. De syndicus is verplicht de mede-eigenaars, ter gelegenheid van elke jaarlijkse algemene vergadering, te informeren over het tot stand komen van eventuele nieuwe reglementen of wetgeving die de mede-eigendom aanbelangen.


5. De syndicus verplicht er zich toe een afschrijvingstabel te maken van alle vitale delen van het gebouw. Daaronder moet worden verstaan alle delen die, moesten ze defect zijn, de normale uitbating van het gebouw zouden verhinderen. Hij zal de vervangingswaarde delen door de normale levensduur, zodat de jaarlijkse bijdrage voor het instandhouden ervan kan worden bepaald.


6. De afschrijvingstabel zal eveneens de basis vormen voor het opstellen van een onderhoudsplan op langere termijn, dat op zijn beurt vertaald wordt in de mogelijke creatie van een "reservekapitaal" of de aanpassing ervan.

Dit laatste zal het voorwerp uitmaken van een beraadslaging op de algemene vergadering.


Brussel, 10.11.2004

http://www.kc-cq-syndic.be/NL/index_files/Page344.htm

Gepost door: Jan Boeykens | 30-08-07

Juridique Logement

Incidence du code du logement sur les arrêtés de police
Rien ne change ou presque !

Françoise Lambotte - août 2006 - Trait d'Union n° 4

Depuis l’entrée en vigueur du Code bruxellois du Logement en 2004, une certaine confusion existe entre les arrêtés de police pris sur base de l’article 135 de la Nouvelle loi communale et les arrêtés que le bourgmestre doit prendre en exécution du Code. Ce dernier n’a pourtant rien changé ou presque aux compétences de police des communes. Les nouveautés concernent seulement les conséquences de certains arrêtés de police sur la location postérieure du bien et le droit de gestion publique.

Rien ne change…

L’ordonnance du 17 juillet 2003 portant le Code bruxellois du Logement (ci-après dénommée le Code du Logement - MB 9/09/03) précise expressément qu’elle s’applique « sans préjudice de l’article 135 de la Nouvelle loi communale » (Articles 4, § 1 er, in fine, 13, § 1 er, et 19, alinéa 2). Le Code du Logement ne change donc rien aux compétences que les communes tirent de cette disposition, suivant laquelle :

« (Les) communes ont pour mission de faire jouir les habitants des avantages d’une bonne police, notamment de la propreté, de la salubrité, de la sûreté et de la tranquillité dans les rues, lieux et édifices publics.

Plus particulièrement, et dans la mesure où la matière n’est pas exclue de la compétence des communes, les objets de police confiés à la vigilance et à l’autorité des communes sont :

1° tout ce qui intéresse la sûreté et la commodité de passage dans les rues, quais, places et voies publiques ; ce qui comprend le nettoiement, l’illumination, l’enlèvement des encombrements, la démolition ou la réparation des bâtiments menaçant ruine, l’interdiction de rien exposer aux fenêtres ou autres parties des bâtiments qui puisse nuire par sa chute, et celle de ne rien jeter qui puisse blesser ou endommager les passants, ou causer des exhalaisons nuisibles ; (…)

2° (…) les bruits (…) nocturnes qui troublent le repos des habitants ; (…)

5° le soin de prévenir, par les précautions convenables, et celui de faire cesser par la distribution des secours nécessaires, les accidents et fléaux calamiteux, tels que les incendies, les épidémies et les épizooties… ».

En d’autres termes, les autorités communales continuent de prévenir et de faire cesser, par la voie de règlements (voir "Les règlements communaux contre l’insalubrité") ou d’arrêtés de police, toute atteinte à la salubrité ou à la sécurité qui trouve son origine, notamment, dans l’existence de logements insalubres. En adoptant un arrêté de police, le bourgmestre peut, par exemple, donner l’ordre à un propriétaire de procéder à des travaux de rénovation dans un certain délai ou contraindre des locataires à quitter leur logement pour des raisons de salubrité publique.

Bref, les arrêtés du bourgmestre pris sur base de l’article 135 de la Nouvelle loi communale n’ont aucune raison d’être plus rares depuis l’entrée en vigueur du Code du Logement. Le Code permet simplement à la Région d’intervenir à la place ou aux côtés de la commune, s’il s’avère que l’intervention de cette dernière ne suffit pas à convaincre le propriétaire d’un taudis de procéder aux aménagements nécessaires . Le Service d’inspection régionale (SIR) peut en effet, suite à une enquête diligentée par ses services, décider de fermer un logement parce qu’il ne respecte pas les normes minimales de salubrité, de sécurité et d’équipement édictées par le Code du Logement [1]. Il peut également condamner les propriétaires récalcitrants à payer des amendes aux montants dissuasifs (entre 3.000 et 25.000 euros par logement !).

Il pourrait très bien advenir qu’une décision soit prise par le SIR en même temps que le bourgmestre décide d’intervenir sur base de l’article 135 de la Nouvelle loi communale . Le propriétaire devra, dans ce cas, se conformer aux deux décisions.

Il pourrait également arriver que le bourgmestre décide de fermer un logement avant même que le SIR n’ait déterminé s’il répond ou non aux critères du Code . Peu importe : lorsque le bourgmestre prend un arrêté de police sur base de l’article 135 de la Nouvelle loi communale, il n’a pas à se référer aux normes du Code du Logement. S’il le faisait, il commettrait une faute dont la sanction pourrait être l’annulation de l’arrêté de police par le Conseil d’Etat [2].

Le bourgmestre ne doit donc pas attendre que le SIR se saisisse du problème. Il apprécie la situation au regard de la salubrité et de la sécurité publiques. Si celles-ci sont menacées, il doit immédiatement prendre les mesures qui lui semblent les plus indiquées pour mettre fin à la menace [3].

Soulignons en outre qu’il n’appartient pas plus au SIR de lever un arrêté d’insalubrité pris par un bourgmestre qu’il ne lui appartient de juger de l’opportunité ou non pour un bourgmestre de retirer un tel arrêté (Q.R., Parl. Région de Bruxelles-Capitale, 15/06/05, n° 8, p. 124). Chaque autorité agit seule et de façon souveraine dans la sphère de ses compétences .

Conformément au Code du Logement, le SIR avertit le bourgmestre lors de chaque décision d’interdiction de mise en location. Il n’existe, en revanche, aucune obligation légale pour le bourgmestre d’informer le SIR lorsqu’il prend un arrêté de police relatif à un logement. La bonne pratique voudrait toutefois que cela soit le cas et d’ores et déjà de nombreuses communes travaillent en ce sens (Q.R., Parl. Région de Bruxelles-Capitale, 15/06/05, n° 8, p. 124).

… ou presque !

S’il ne change rien aux compétences communales en matière de police, le Code du Logement modifie les conséquences de certains arrêtés de police sur la location postérieure du bien et le droit de gestion publique :

1) L’interdiction de louer ou de faire occuper le logement

Par le passé, l’arrêté de police motivé par l’insalubrité d’un logement pouvait être levé à tout moment par le bourgmestre, au vu de l’évolution de la situation : dès lors que le propriétaire apportait la preuve que les travaux nécessaires avaient été effectués et que la menace ayant justifié l’adoption de l’arrêté avait disparu, le bourgmestre pouvait mettre fin à l’interdiction d’occuper le logement ; les locataires éventuels pouvaient reprendre possession des lieux, sans autre formalité.

En vertu de l’article 14, alinéa 2, du Code du Logement, un logement « frappé par une décision le déclarant insalubre, prise en application de l’article 135 de la Nouvelle loi communale », ne peut, désormais, être mis en location ou reloué qu’après que le bailleur a obtenu une attestation de contrôle de conformité.

La procédure à suivre par le bailleur est la suivante (Article 14, alinéa 3, du Code du Logement) :

1° la demande est adressée par lettre recommandée à la poste ou par dépôt au SIR, moyennant accusé de réception ;

2° le SIR effectue une enquête destinée à établir que le logement répond aux exigences du Code du Logement [4] ;

3° le SIR délivre ou refuse de délivrer l’attestation de contrôle de conformité dans les 2 mois de la réception de la demande ; il peut suspendre sa décision dans l’attente de la réalisation de travaux de régularisation ;

4° en cas de refus, le bailleur dispose d’un recours devant le Gouvernement ou son fonctionnaire délégué ; ce recours doit être introduit par lettre recommandée, dans les 30 jours à dater de la réception de la décision de refus notifiée par le SIR ;

5° l’autorité de recours peut ordonner une enquête, réalisée par un autre inspecteur du SIR que celui qui a réalisé l’enquête en première instance ;

6° l’autorité de recours se prononce dans les 30 jours de la réception du recours (ce délai est augmenté de 30 jours en cas d’enquête) ; à défaut de décision dans ce délai, la décision de refus est confirmée (Article 9 du Code du Logement).

Le Code du Logement précise que les logements concernés sont ceux qui sont déclarés insalubres en application de l’article 135 de la Nouvelle loi communale « au motif que le logement ne remplit pas la condition prescrite par l’article 4 » (Article 14, alinéa 2, du Code du Logement). Cette formulation porte à confusion : nous avons vu qu’un arrêté de police pris sur base de l’article 135 de la Nouvelle loi communale ne peut en aucun cas être motivé par simple référence au Code du Logement.

Une autre question se pose également : tous les arrêtés de police déclarant un logement insalubre sont-ils concernés ou s’agit-il seulement de ceux qui déclarent le logement inhabitable ? Le Code semble viser tous les arrêtés d’insalubrité, sans distinction, mais il serait étonnant que la volonté du législateur ait été d’interdire à la location des logements dont l’insalubrité au sens de la Nouvelle loi communale n’est pas assez grave pour justifier la fermeture.

La formulation de l’article 14, alinéa 2, du Code devrait être revue par le législateur pour mettre fin à ces difficultés d’interprétation. La suggestion en a déjà été faite au Gouvernement par le Conseil consultatif du Logement [5], dans son avis d’initiative rendu le 16 juin dernier au sujet de l’ordonnance du 17 juillet 2003 portant le Code bruxellois du Logement .

2) Le droit de gestion publique

Au même titre que les logements interdits à la location par le SIR, les logements déclarés inhabitables conformément à l’article 135 de la Nouvelle loi communale font dorénavant partie des logements susceptibles d’être concernés par le droit de gestion publique (Article 18, § 1 er, du Code du Logement - voir aussi « Le droit de gestion publique : pour qui, pourquoi, comment ?»). Cette nouveauté introduite par le Code du Logement ne concerne pas tous les arrêtés de police pris sur base de l’article 135 de la Nouvelle loi communale, mais seulement ceux qui déclarent un logement « inhabitable ». Il s’ensuit qu’un arrêté du bourgmestre déclarant un immeuble insalubre mais améliorable sans qu’il soit nécessaire d’expulser ses habitants ne permet pas de recourir au droit de gestion publique.

Et les arrêtés que le bourgmestre doit prendre en exécution du Code du Logement ?

Suivant l’article 14, alinéa 1 er, du Code du Logement, c’est au bourgmestre de veiller à la bonne exécution de l’interdiction de louer ou de faire occuper le bien décidée par le SIR, lorsqu’un logement ne répond pas aux normes du Code et n’est pas remis en état par son propriétaire. Le Code ne précise pas comment le bourgmestre doit y parvenir mais ses travaux préparatoires indiquent que le bourgmestre adopte un arrêté « à l’instar d’un arrêté d’inhabitabilité pris sur base de l’article 135 de la Nouvelle loi communale » [6].

L’arrêté que le bourgmestre prend sur base du Code du Logement n’a pourtant rien à voir avec un arrêté de police. Lorsque le bourgmestre exécute la décision du SIR, il ne fait pas application de l’article 135 de la Nouvelle loi communale mais de l’article 133 de la même loi, suivant lequel le bourgmestre se doit d’exécuter les ordonnances régionales. Il agit en tant qu’agent déconcentré de l’autorité supérieure et non pas en tant que chef de la commune, autorité décentralisée compétente en matière de police [7]. Le bourgmestre exécute la décision prise par le SIR sans pouvoir la contester ; son pouvoir d’appréciation ne porte que sur les modalités pratiques de l’expulsion (délais, apposition de scellés, affichage de la décision du SIR,…).

Aucun délai n’est imposé au bourgmestre pour exécuter la décision du SIR mais il devra se justifier vis-à-vis de l’autorité hiérarchique. En cas de défaillance et après deux avertissements consécutifs, le Gouvernement pourra exercer une tutelle de substitution aux frais de l’autorité communale défaillante.

Les occupants du logement peuvent continuer à y habiter tant que le bourgmestre ne leur a pas donné l’ordre formel de partir.

Certains municipalistes n’ont pas manqué de souligner « l’indélicatesse » du procédé : il revient à une autorité qui n’a pas participé à la décision (le bourgmestre) d’exécuter celle-ci « en faisant le sale travail. La presse à scandale aura la gorge chaude face à un bourgmestre qui expulse toute une famille sur décision de la Région » [8].

Quoi qu’il en soit, la motivation formelle de l’arrêté pris sur base du Code devra clairement viser l’article 133 de la Nouvelle loi communale, l’article 14, alinéa 1 er, du Code bruxellois du Logement et la décision du SIR concernée. En aucun cas il ne sera fait mention de l’article 135 de la Nouvelle loi communale.

Rappelons que le nom donné à l’arrêté (ex. : « arrêté d’expulsion ») n’a pas d’importance. Il n’est d’ailleurs pas nécessaire de le nommer. Comme pour l’arrêté de police, c’est son contenu et sa motivation formelle qui importent.



1 Pour plus de détails sur la procédure devant être respectée par le SIR, voyez notamment Fr. LAMBOTTE, « L’ordonnance du 17 juillet 2003 portant le Code bruxellois du Logement : de l’obligation de louer un logement décent au droit de gestion publique », Amén., 2004/2, pp. 86 et s.

2 La Haute juridiction administrative se montre intraitable dans cette matière. Elle a notamment annulé un arrêté d’inhabitabilité pris par un bourgmestre wallon qui, s’il se réclamait de la Nouvelle loi communale, ne se fondait pas moins, dans les faits, sur des critères empruntés au Code wallon du Logement, étrangers à la salubrité publique au sens strict (en l’espèce, la superficie habitable) (C.E. n° 103.845 du 21 février 2002, Dejardin ; dans un sens similaire, voyez également C.E. n° 157.426 du 7 avril 2006, Van Rossem et Colard).

3 Le bourgmestre dispose du pouvoir de moduler sa décision en fonction de la gravité des faits constatés. Il peut accorder des délais d’exécution supplémentaires et faire procéder aux travaux de force, en cas de nécessité. Suivant le Conseil d’Etat, le bourgmestre n’agit pas légalement en adoptant la mesure la plus sévère dès lors que celle-ci se révèle hors de toute proportion avec les faits censés la justifier ou avec l’objectif à atteindre. Méconnaîtrait notamment l’article 135 de la Nouvelle loi communale l’autorité de police qui interdirait définitivement l’habitation d’un immeuble déclaré insalubre pour la raison qu’il ne serait pas améliorable, alors que le caractère non améliorable du bien ne serait pas établi et que suffirait manifestement un arrêté d’inhabitabilité provisoire, sous réserve de travaux à effectuer dont le coût ne serait pas excessif par rapport à la valeur de l’immeuble (C.E. n° 127.292 du 21 janvier 2004, Quievy).

4 Certaines difficultés ne manqueront pas de se poser en pratique, lorsque l’enquête sera effectuée avant que le logement soit mis en location : certaines des normes du Code (notamment les règles minimales de superficie par habitant) ne pourront être vérifiées qu’après la conclusion du bail.

5 Le Conseil consultatif du Logement est un organe consultatif institué auprès de la Région de Bruxelles-Capitale, dont la mission consiste à remettre son avis et ses propositions au Gouvernement (à la demande de celui-ci ou d’initiative) sur la politique du logement et sur tout avant-projet d’ordonnance et d’arrêté réglementaire dont l’objet principal est le logement. Il est composé de 24 membres représentant l’ensemble des acteurs bruxellois du logement. Notre Association y représente les communes et les CPAS. Pour plus de détails, voyez les articles 97 et suivants du Code du Logement.

6 Projet d’ordonnance relative au Code du Logement de la Région de Bruxelles-Capitale, Doc., Cons. Rég. Brux.-Cap., sess. ord. 2002-2003, n° A-416/1 du 28 février 2003, p. 19.

7 P rojet d’ordonnance relative au Code du Logement de la Région de Bruxelles-Capitale, Doc., Cons. Rég. Brux.-Cap., sess. ord. 2002-2003, n° A-416/2 du 1 er juillet 2003, p. 119.

8 Voyez l’intervention du bourgmestre V. DE WOLF lors des travaux préparatoires de l’ordonnance du 17 juillet 2003, projet d’ordonnance relative au Code du Logement de la Région de Bruxelles-Capitale, Doc., Cons. Rég. Brux.-Cap., sess. ord. 2002-2003, n° A-416/2 du 1 er juillet 2003, p. 123.

http://www.avcb-vsgb.be/fr/mati/log/code-du-logement-arrete-de-police.htm

Gepost door: Boeykens | 03-09-07

De commentaren zijn gesloten.